Exodus 4:28
En Mozes gaf Aaron te kennen al de woorden des HEEREN, Die hem gezonden had, en al de tekenen, die Hij hem bevolen had.
En Mozes gaf Aaron te kennen al de woorden des HEEREN, Die hem gezonden had, en al de tekenen, die Hij hem bevolen had.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
29Toen ging Mozes en Aaron, en zij verzamelden al de oudsten der kinderen Israels.
30En Aaron sprak al de woorden, die de HEERE tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen des volks.
27De HEERE zeide ook tot Aaron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan den berg Gods, en hij kuste hem.
24En Mozes sprak zulks tot Aaron en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels.
36Aaron nu en zijn zonen deden al de dingen, die de HEERE door den dienst van Mozes geboden had.
8En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
14Toen ontstak de toorn des HEEREN over Mozes, en Hij zeide: is niet Aaron, de Leviet, uw broeder? Ik weet, dat hij zeer wel spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet, zo zal hij in zijn hart verblijd zijn.
15Gij dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal ulieden leren, wat gij doen zult.
40En Mozes sprak tot de kinderen Israels naar al wat de HEERE Mozes geboden had.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot Aaron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Dit is het woord, hetwelk de HEERE geboden heeft, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
8En de HEERE sprak tot Aaron, zeggende:
31Toen riep Mozes hen; en Aaron, en al de oversten in de vergadering keerden weder tot hem; en Mozes sprak tot hen.
4Mozes nu deed, gelijk als de HEERE hem geboden had; en de vergadering werd verzameld aan de deur van de tent der samenkomst.
5Toen zeide Mozes tot de vergadering: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft te doen.
1Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een god gezet over Farao; en Aaron, uw broeder, zal uw profeet zijn.
2Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aaron, uw broeder, zal tot Farao spreken, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken laat.
17En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
7En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die de HEERE hem geboden had.
6Toen deed Mozes en Aaron, als hun de HEERE geboden had, alzo deden zij.
26Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
33Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
27Mozes nu deed, gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen op tot den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering.
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
11En Mozes deed het; gelijk als de HEERE hem geboden had, alzo deed hij.
12Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
15Toen sprak Mozes tot den HEERE, zeggende:
1Wijders sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
11In al de tekenen en de wonderen, waartoe hem de HEERE gezonden heeft, om die in Egypteland te doen aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al zijn land;
8Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Dit nu zijn de geboorten van Aaron en Mozes; ten dage als de HEERE met Mozes gesproken heeft op den berg Sinai.
44Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
3En Mozes zeide tot Aaron: Dat is het, wat de HEERE gesproken heeft, zeggende: In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden. Doch Aaron zweeg stil.
3En Aaron deed alzo: tegenover vooraan den kandelaar stak hij deszelfs lampen aan;
7En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
6En Mozes zeide: Deze zaak, die de HEERE geboden heeft, zult gij doen; en de heerlijkheid des HEEREN zal u verschijnen.
11Ook heeft de HEERE tot Mozes gesproken, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
5En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
13En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
20En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende: