Genesis 10:4
En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Noach, Sem, Cham en Jafeth.
5De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
6En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma.
7En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten.
8De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaan.
1Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.
2De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
3En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.
5Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.
6En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaan.
7En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.
25En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan.
26En Joktan gewon Almodad, en selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,
27En Hadoram, en Usal, en Dikla,
20Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken.
21Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste.
22Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
31Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, naar hun volken.
32Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hun volken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.
29En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.
23En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.
16En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.
17De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
18En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaanieten verspreid.
20En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,
21En Hadoram, en Uzal, en Dikla,
10Want, gaat over in de eilanden der Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?
12Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten.
13Javan, Tubal en Mesech waren uw kooplieden; met mensenzielen en koperen vaten dreven zij onderlingen handel met u.
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
22En allen koningen van Tyrus, en allen koningen van Sidon; en den koningen der eilanden, die aan gene zijde der zee zijn.
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
35En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.
9Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot den Naam des HEEREN uws Gods, en tot den Heilige Israels, dewijl Hij u heerlijk gemaakt heeft.
10En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.
42De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaakan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.