Job 3:3

Statenvertaling (States Bible)

De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 10:18-19 : 18 En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had! 19 Ik zou zijn, alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest.
  • Jer 20:14-18 : 14 Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben; de dag, op welken mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend! 15 Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grotelijks! 16 Ja, dezelve man zij, als de steden, die de HEERE heeft omgekeerd, en het heeft Hem niet berouwd; en hij hore in den morgenstond een geroep, en op den middagtijd een geschrei. 17 Dat Hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af! Of mijn moeder mijn graf geweest is, of haar baarmoeder als van een, die eeuwiglijk zwanger is! 18 Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te zien, en dat mijn dagen in beschaamdheid vergaan?
  • Jer 15:10 : 10 Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel den gansen lande! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 3:1-2
    2 verzen
    84%

    1Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.

    2Want Job antwoordde en zeide:

  • Job 3:4-12
    9 verzen
    83%

    4Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;

    5Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!

    6Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!

    7Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;

    8Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;

    9Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!

    10Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.

    11Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam?

    12Waarom zijn mij de knieen voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou?

  • Jer 20:14-18
    5 verzen
    81%

    14Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben; de dag, op welken mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend!

    15Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grotelijks!

    16Ja, dezelve man zij, als de steden, die de HEERE heeft omgekeerd, en het heeft Hem niet berouwd; en hij hore in den morgenstond een geroep, en op den middagtijd een geschrei.

    17Dat Hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af! Of mijn moeder mijn graf geweest is, of haar baarmoeder als van een, die eeuwiglijk zwanger is!

    18Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te zien, en dat mijn dagen in beschaamdheid vergaan?

  • Job 3:16-17
    2 verzen
    78%

    16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.

    17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

  • Job 10:18-20
    3 verzen
    77%

    18En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!

    19Ik zou zijn, alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest.

    20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • 1De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.

  • Job 7:3-4
    2 verzen
    72%

    3Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid.

    4Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.

  • Klaagl 3:1-3
    3 verzen
    71%

    1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

    2Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.

    3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.

  • Pred 6:3-4
    2 verzen
    70%

    3Indien een man honderd kinderen gewon, en vele jaren leefde, zodat de dagen zijner jaren veel waren, doch zijn ziel niet verzadigd werd van het goed, en hij ook geen begrafenis had; ik zeg, dat een misdracht beter is dan hij.

    4Want met ijdelheid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt.

  • 23Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?

  • 21En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!

  • 20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?

  • Job 23:1-2
    2 verzen
    69%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.

  • 19En de zoon dezer vrouw is des nachts gestorven, omdat zij op hem gelegen had.

  • 6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.

  • 8Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!

  • 17Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.

  • Job 17:12-13
    2 verzen
    69%

    12Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis.

    13Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.

  • 5Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.

  • 21En ik stond in de morgen op, om mijn zoon te zogen, en zie, hij was dood; maar ik lette in den morgen op hem, en zie, het was mijn zoon niet, dien ik gebaard had.

  • 14Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?

  • 3Want zo zegt de HEERE van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

  • 13Smarten ener barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind; want anders zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan.

  • 4Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is?

  • 13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

  • 3Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeen hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeen van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.

  • 6Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.

  • 7Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen.