Job 3:6

Statenvertaling (States Bible)

Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 3:3-5
    3 verzen
    90%

    3De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;

    4Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;

    5Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!

  • Job 3:7-9
    3 verzen
    89%

    7Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;

    8Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;

    9Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!

  • 20Haak niet naar dien nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden.

  • Job 18:5-6
    2 verzen
    76%

    5Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.

    6Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.

  • Job 10:20-22
    3 verzen
    76%

    20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

    21Eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods;

    22Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.

  • Job 17:12-13
    2 verzen
    76%

    12Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis.

    13Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.

  • 20Zal dan niet des HEEREN dag duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan zij?

  • 6Daarom zal het nacht voor ulieden worden vanwege het gezicht, en ulieden zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze profeten ondergaan; en de dag zal over hen zwart worden.

  • 11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.

  • 3Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid.

  • Ps 139:11-12
    2 verzen
    73%

    11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.

    12Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.

  • 17Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.

  • 9In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;

  • Job 24:16-17
    2 verzen
    73%

    16In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgetekend hadden; zij kennen het licht niet.

    17Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduw.

  • 4Want met ijdelheid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt.

  • 14Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in de middag.

  • 18Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.

  • 2Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.

  • 26Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, zal hem verteren; den overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan.

  • 6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.

  • 19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?

  • 16Geeft eer den HEERE, uw God, eer dat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat gij naar licht wacht, en Hij datzelve tot een schaduw des doods stelle, en tot een donkerheid zette.

  • 2Eer dan de zon, en het licht, en de maan, en de sterren verduisterd worden, en de wolken wederkomen na den regen.

  • 19Onderricht ons, wat wij Hem zeggen zullen; want wij zullen niets ordentelijk voorstellen kunnen vanwege de duisternis.

  • 20Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.

  • 22Er is geen duisternis, en er is geen schaduw des doods, dat aldaar de werkers der ongerechtigheid zich verbergen mochten.

  • 3Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;

  • 32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.

  • 3Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.

  • 6En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijke licht, en de dikke duisternis.

  • 8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.

  • 10Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen.

  • 6Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.

  • 20Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:

  • 15Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid;

  • 13Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;

  • 22Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.

  • 16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.

  • 3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.

  • 8Alle lichtende lichten aan den hemel, die zal Ik om uwentwil zwart maken; en Ik zal een duisternis over uw land maken, spreekt de Heere HEERE.