Klaagliederen 3:63
Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.
Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
60Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.
61Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;
62Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.
64Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen.
9Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.
1Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.
12En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
14He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.
10Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
3O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.
3Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;
21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.
12Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.
6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.
2O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.
3Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.
4Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!
2O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!
28Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.
4Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;
23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.
7De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.
6Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.
12Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.
7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.
8Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.
16Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.
5In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?
6Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.
3Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp.
16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!
7Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.
13Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
22Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
6Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.
11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.
3Hoort, gij koningen, neemt ter oren, gij vorsten! Ik, den HEERE zal ik zingen, ik zal den HEERE, den God Israels, psalmzingen.
9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.
8Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.
38Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.
5Die op het geklank der luit kwinkeleren, en bedenken zichzelven instrumenten der muziek, gelijk David;
63Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.
23Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uw luiten spel niet horen.
27Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.
32En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.
3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.
6O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des HEEREN doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen!
3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.
3En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.