Klaagliederen 3:63

Statenvertaling (States Bible)

Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 139:2 : 2 Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
  • Klaagl 3:14 : 14 He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.
  • Job 30:9 : 9 Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 77%

    60Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.

    61Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;

    62Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.

  • 64Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen.

  • 9Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.

  • 72%

    1Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.

  • 12En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.

  • 14He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.

  • 10Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.

  • 3O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.

  • 3Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;

  • 21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.

  • 12Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.

  • 6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.

  • 2O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.

  • Ps 59:3-4
    2 verzen
    68%

    3Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.

    4Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!

  • 2O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!

  • 28Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.

  • 6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.

  • 4Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;

  • 23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.

  • 7De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.

  • 67%

    6Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.

  • 12Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.

  • 7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.

  • 8Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.

  • 16Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.

  • Ps 56:5-6
    2 verzen
    67%

    5In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?

    6Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.

  • 3Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp.

  • 16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!

  • 7Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.

  • 13Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.

  • 22Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.

  • 6Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.

  • 11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.

  • 3Hoort, gij koningen, neemt ter oren, gij vorsten! Ik, den HEERE zal ik zingen, ik zal den HEERE, den God Israels, psalmzingen.

  • 9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.

  • 8Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.

  • 38Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.

  • 67%

    5Die op het geklank der luit kwinkeleren, en bedenken zichzelven instrumenten der muziek, gelijk David;

  • 63Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.

  • 23Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uw luiten spel niet horen.

  • 27Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.

  • 32En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.

  • 3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.

  • 6O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des HEEREN doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen!

  • 3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.

  • 3En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.