Nehemia 10:14
De hoofden des volks: Parhos, Pahath-Moab, Elam, Zatthu, Bani,
De hoofden des volks: Parhos, Pahath-Moab, Elam, Zatthu, Bani,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Bunni, Azgad, Bebai,
16Adonia, Bigvai, Adin,
9En de Levieten, namelijk: Jesua, zoon van Azanja, Binnui; van de zonen van Henadad, Kadmiel;
10En hun broederen: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan,
11Micha, Rehob, Hasabja,
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
13Hodia, Bani, Beninu;
36Vanja, Meremoth, Eljasib,
37Mattanja, Mathnai, en Jaasai,
38En Bani, en Binnui, Simei,
39En Selemja, en Nathan, en Adaja,
40Machnadbai, Sasai, Sarai,
25En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
28En van de kinderen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai, en Athlai.
29En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub en Seal, Jeramoth.
30En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Bezaleel, en Binnui, en Manasse.
2Seraja, Azarja, Jeremia,
3Pashur, Amarja, Malchia,
4Hattus, Sebanja, Malluch,
5Harim, Meremoth, Obadja,
6Daniel, Ginnethon, Baruch,
7Mesullam, Abia, Mijamin,
24Hallohes, Pilha, Sobek,
25Rehum, Hasabna, Maaseja,
26En Ahia, Hanan, Anan,
27Malluch, Harim, Baana.
18Hodia, Hasum, Bezai,
19Harif, Anathoth, Nebai,
20Magpias, Mesullam, Hezir,
21Mesezabeel, Zadok, Jaddua,
22Pelatja, Hanan, Anaja,
7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
2Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
22En van de kinderen van Pashur: Eljoenai, Maaseja, Ismael, Nethaneel, Jozabad en Elasa.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
24En Hananja, en Elam, en Antothija,
16Zo zond ik tot Eliezer, tot Ariel, tot Semaja, en tot Elnathan, en tot Jarib, en tot Elnathan, en tot Nathan, en tot Zacharja, en tot Mesullam, de hoofden; en tot Jojarib en tot Elnathan, de leraars;
1Dit nu zijn de hoofden hunner vaderen, met hun geslachtsrekening, die met mij uit Babel optogen, onder het koninkrijk van den koning Arthahsasta.
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
34Van de kinderen van Bani: Maadai, Amram, en Uel,
2Amarja, Malluch, Hattus,
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
24Toen scheidde ik twaalf uit van de oversten der priesteren: Serebja Hasabja, en tien van hun broederen met hen.
9Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniers, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten,
9En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha,
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
14En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen.