Nehemia 10:14

Statenvertaling (States Bible)

De hoofden des volks: Parhos, Pahath-Moab, Elam, Zatthu, Bani,

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Neh 7:8 : 8 De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
  • Neh 7:11-13 : 11 De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien; 12 De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig; 13 De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
  • Neh 7:15 : 15 De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;
  • Ezra 2:3-9 : 3 De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig. 4 De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig. 5 De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig. 6 De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf. 7 De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig. 8 De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig. 9 De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig. 10 De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig. 11 De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig. 12 De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig. 13 De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig. 14 De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig. 15 De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig. 16 De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig. 17 De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig. 18 De kinderen van Jora, honderd en twaalf. 19 De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig. 20 De kinderen van Gibbar, vijf en negentig. 21 De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig. 22 De mannen van Netofa, zes en vijftig. 23 De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig. 24 De kinderen van Azmaveth, twee en veertig. 25 De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig. 26 De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig. 27 De mannen van Michmas, honderd twee en twintig. 28 De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig. 29 De kinderen van Nebo, twee en vijftig. 30 De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig. 31 De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig. 32 De kinderen van Harim, driehonderd en twintig. 33 De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig. 34 De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig. 35 De kinderen van Senaa, drie duizend zeshonderd en dertig. 36 De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig. 37 De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig. 38 De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig. 39 De kinderen van Harim, duizend en zeventien. 40 De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig. 41 De zangers. De kinderen van Asaf honderd acht en twintig. 42 De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig. 43 De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth; 44 De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon; 45 De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub; 46 De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan; 47 De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja; 48 De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam; 49 De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai; 50 De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim; 51 De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur; 52 De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa; 53 De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah; 54 De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa. 55 De kinderen der knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda; 56 De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel; 57 De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami. 58 Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig. 59 Dezen togen ook op van Tel-melah, Tel-harsa, Cherub, Addan en Immer; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israel waren. 60 De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig. 61 En van de kinderen der priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was. 62 Dezen zochten hun register, onder degenen, die in het geslachtsregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd. 63 En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met thummim. 64 Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig. 65 Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen. 66 Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig; 67 Hun kemelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezelen, zes duizend zevenhonderd en twintig. 68 En sommigen van de hoofden der vaderen, als zij kwamen ten huize des HEEREN, die te Jeruzalem woont, gaven vrijwilliglijk ten huize Gods, om dat te zetten op zijn vaste plaats. 69 Zij gaven naar hun vermogen tot den schat des werks, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken. 70 En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortiers, en de Nethinim woonden in hun steden, en gans Israel in zijn steden.
  • Neh 3:11 : 11 De andere mate verbeterden Malchia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-Moab; daartoe den Bakoventoren.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Neh 10:15-16
    2 verzen
    86%

    15Bunni, Azgad, Bebai,

    16Adonia, Bigvai, Adin,

  • Neh 10:9-13
    5 verzen
    85%

    9En de Levieten, namelijk: Jesua, zoon van Azanja, Binnui; van de zonen van Henadad, Kadmiel;

    10En hun broederen: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan,

    11Micha, Rehob, Hasabja,

    12Zakkur, Serebja, Sebanja,

    13Hodia, Bani, Beninu;

  • 79%

    36Vanja, Meremoth, Eljasib,

    37Mattanja, Mathnai, en Jaasai,

    38En Bani, en Binnui, Simei,

    39En Selemja, en Nathan, en Adaja,

    40Machnadbai, Sasai, Sarai,

  • 78%

    25En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.

    26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.

    27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.

    28En van de kinderen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai, en Athlai.

    29En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub en Seal, Jeramoth.

    30En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Bezaleel, en Binnui, en Manasse.

  • Neh 10:2-7
    6 verzen
    77%

    2Seraja, Azarja, Jeremia,

    3Pashur, Amarja, Malchia,

    4Hattus, Sebanja, Malluch,

    5Harim, Meremoth, Obadja,

    6Daniel, Ginnethon, Baruch,

    7Mesullam, Abia, Mijamin,

  • Neh 10:24-27
    4 verzen
    77%

    24Hallohes, Pilha, Sobek,

    25Rehum, Hasabna, Maaseja,

    26En Ahia, Hanan, Anan,

    27Malluch, Harim, Baana.

  • Neh 10:18-22
    5 verzen
    77%

    18Hodia, Hasum, Bezai,

    19Harif, Anathoth, Nebai,

    20Magpias, Mesullam, Hezir,

    21Mesezabeel, Zadok, Jaddua,

    22Pelatja, Hanan, Anaja,

  • 7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.

  • Ezra 2:2-3
    2 verzen
    75%

    2Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.

    3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.

  • 22En van de kinderen van Pashur: Eljoenai, Maaseja, Ismael, Nethaneel, Jozabad en Elasa.

  • 36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,

  • 24En Hananja, en Elam, en Antothija,

  • 16Zo zond ik tot Eliezer, tot Ariel, tot Semaja, en tot Elnathan, en tot Jarib, en tot Elnathan, en tot Nathan, en tot Zacharja, en tot Mesullam, de hoofden; en tot Jojarib en tot Elnathan, de leraars;

  • 1Dit nu zijn de hoofden hunner vaderen, met hun geslachtsrekening, die met mij uit Babel optogen, onder het koninkrijk van den koning Arthahsasta.

  • 73%

    33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.

    34Van de kinderen van Bani: Maadai, Amram, en Uel,

  • 2Amarja, Malluch, Hattus,

  • 10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.

  • 24Toen scheidde ik twaalf uit van de oversten der priesteren: Serebja Hasabja, en tien van hun broederen met hen.

  • 9Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniers, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten,

  • 9En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha,

  • 12Johanan de achtste; Elzabad de negende;

  • 14En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen.