Psalmen 144:6
Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen.
Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.
15En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze.
12Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
13Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.
14En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.
15En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.
17De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.
18De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.
5Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.
7O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!
14Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.
15Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;
16Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind.
7Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;
66Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN.
6O HEERE! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o HEERE! heeft den vijand verbroken!
7En door Uw grote hoogheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpen; Gij hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel.
24Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.
13Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;
30En de HEERE zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de nederlating Zijns arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen.
11De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.
12Want zij hebben kwaad tegen U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, doch zullen niets vermogen.
23Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten.
7Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart.
4Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.
4Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft.
5En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
7Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
3Maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.
14Gij doorboordet met zijn staven het hoofd zijner dorplieden; zij hebben gestormd, om mij te verstrooien; die zich verheugden, alsof zij de ellendigen in het verborgen zouden opeten.
10De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.
11De zon en de maan stonden stil in haar woning; met het licht gingen Uw pijlen daarhenen, met glans Uw bliksemende spies.
12Met gramschap tradt Gij door het land, met toorn dorstet Gij de heidenen.
1Een psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester.
10Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
24De HEERE, uw God, zal pulver en stof tot regen uws lands geven; van den hemel zal het op u nederdalen, totdat gij verdelgd wordt.
19Om al uw vijanden voor uw aangezicht te verdrijven, gelijk als de HEERE gesproken heeft.
8Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!
6Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.
7Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.
10Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.
7De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.
14En de HEERE zal over henlieden verschijnen, en Zijn pijlen zullen uitvaren als een bliksem; en de Heere HEERE zal met de bazuin blazen, en Hij zal voorttreden met stormen uit het zuiden.
18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
9Uw hand zal alle vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden.
6Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
48Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.
1Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten;
6Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.