1 Kronieken 1:5
De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.
2De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
3En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.
4En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
5Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.
6En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaan.
6En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma.
7En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten.
8De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaan.
3Henoch, Methusalah, Lamech,
4Noach, Sem, Cham en Jafeth.
16En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.
17De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
10En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.
23En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.
24Sem, Arfachsad, Selah,
25Heber, Peleg, Rehu,
19Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam des enen was Peleg, omdat in zijn dagen het aardrijk verdeeld is, en de naam zijns broeders was Joktan.
20En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,
20Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken.
21Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste.
22Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
23En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz.
26En Joktan gewon Almodad, en selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,
29En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.
27God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaan zij hem een knecht!
18En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaan.
31Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, naar hun volken.
32Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hun volken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.
35En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.
32En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
31Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismael.
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.