Prediker 4:14

Statenvertaling (States Bible)

Want een komt uit het gevangenhuis, om koning te zijn; daar ook een, die in zijn koninkrijk geboren is, verarmt.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Gen 41:14 : 14 Toen zond Farao en riep Jozef en zij deden hem haastelijk uit den kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn klederen; en hij kwam tot Farao.
  • Gen 41:33-44 : 33 Zo zie nu Farao naar een verstandigen en wijzen man, en zette hem over het land van Egypte. 34 Farao doe zo, en bestelle opzieners over het land; en neme het vijfde deel des lands van Egypte in de zeven jaren des overvloeds. 35 En dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen, onder de hand van Farao, tot spijze in de steden, en bewaren het. 36 Zo zal de spijze zijn tot voorraad voor het land, voor zeven jaren des hongers, die in Egypteland wezen zullen; opdat het land van honger niet verga. 37 En dit woord was goed in de ogen van Farao, en in de ogen van al zijn knechten. 38 Zo zeide Farao tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als deze, in welken Gods Geest is? 39 Daarna zeide Farao tot Jozef: Naardien dat God u dit alles heeft verkondigd, zo is er niemand zo verstandig en wijs, als gij. 40 Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen dezen troon zal ik groter zijn dan gij. 41 Voorts sprak Farao tot Jozef: Zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld. 42 En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen klederen aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals; 43 En hij deed hem rijden op den tweeden wagen, dien hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Alzo stelde hij hem over gans Egypteland. 44 En Farao zeide tot Jozef: Ik ben Farao! doch zonder u zal niemand zijn hand of zijn voet opheffen in gans Egypteland.
  • 1 Kon 14:26-27 : 26 En hij nam de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. 27 En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten, die de deur van het huis des konings bewaarden.
  • 2 Kon 23:31-34 : 31 Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna. 32 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaderen gedaan hadden. 33 Doch Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. 34 Ook maakte Farao Necho Eljakim, den zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar.
  • 2 Kon 24:1-2 : 1 In zijn dagen toog Nebukadnezar, de koning van Babel, op, en Jojakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem. 2 En de HEERE zond tegen hem de benden der Chaldeen, en de benden der Syriers, en de benden der Moabieten, en de benden der kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst Zijner knechten, de profeten.
  • 2 Kon 24:6 : 6 En Jojakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats.
  • 2 Kon 24:12 : 12 Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot den koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar zijner regering.
  • 2 Kon 25:7 : 7 En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
  • 2 Kon 25:27-30 : 27 Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar der wegvoering van Jojachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op den zeven en twintigsten der maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, den koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief. 28 En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven den stoel der koningen, die bij hem te Babel waren. 29 En hij veranderde de klederen zijner gevangenis, en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, al de dagen zijns levens. 30 En aangaande zijn tering, een gedurige tering werd hem van den koning gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijn dag, al de dagen zijns levens.
  • Job 5:11 : 11 Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.
  • Ps 113:7-8 : 7 Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt; 8 Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
  • Klaagl 4:20 : 20 Resch. De adem onzer neuzen, de gezalfde des HEEREN, is gevangen in hun groeven; van welken wij zeiden: Wij zullen onder zijn schaduw leven onder de heidenen!
  • Dan 4:31 : 31 Dit woord nog zijnde in des konings mond, viel er een stem uit den hemel: U, o koning Nebukadnezar! wordt gezegd: Het koninkrijk is van u gegaan.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 13Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.

  • 15Ik zag al de levenden wandelen onder de zon, met de jongeling, den tweede, die in diens plaats staan zal.

  • 14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.

  • Pred 5:14-15
    2 verzen
    71%

    14Gelijk als hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, alzo zal hij naakt wederkeren, gaande gelijk hij gekomen was; en hij zal niet medenemen van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen.

    15Daarom is dit ook een kwaad, dat krankheid aanbrengt; dat hij in alle manier, gelijk hij gekomen is, alzo heengaat; en wat voordeel is het hem, dat hij in den wind gearbeid heeft?

  • Ps 113:7-8
    2 verzen
    70%

    7Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;

    8Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.

  • 16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.

  • 6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.

  • Pred 9:15-16
    2 verzen
    69%

    15En men vond daar een armen wijzen man in, die de stad verloste door zijn wijsheid; maar geen mens gedacht denzelven armen man.

    16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.

  • 4En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;

  • 11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.

  • 21Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.

  • 68%

    16Wee u, land! welks koning een kind is, en welks vorsten tot in den morgenstond eten!

    17Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning een zoon der edelen is, en welks vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij.

  • 7De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.

  • 15De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.

  • Pred 10:6-7
    2 verzen
    68%

    6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.

    7Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.

  • 7Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.

  • Ps 107:40-41
    2 verzen
    68%

    40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

    41Maar Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  • 4Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?

  • Spr 13:7-8
    2 verzen
    67%

    7Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.

    8Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.

  • 1 Sam 2:7-8
    2 verzen
    67%

    7De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.

    8Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beerven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.

  • Job 3:14-16
    3 verzen
    67%

    14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;

    15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.

    16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.

  • 21Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn.

  • 22Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;

  • 4Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.

  • 11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.

  • 34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.

  • 19De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.

  • 1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.

  • 2Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,

  • 1De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.

  • 1Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles;

  • 15Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.

  • 10Zijn kinderen zullen zoeken den armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten weder uitkeren.

  • 16Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis.

  • 13Smarten ener barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind; want anders zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan.

  • 2Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.

  • 19Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.

  • 28In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.

  • 4Want met ijdelheid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt.