Exodus 32:26

Statenvertaling (States Bible)

Zo bleef Mozes staan in de poort des legers, en zeide: Wie den HEERE toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Joz 5:13 : 13 Voorts geschiedde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zeide tot Hem: Zijt Gij van ons, of van onze vijanden?
  • 2 Sam 20:11 : 11 Maar een man, van Joabs jongens, bleef bij hem staan, en hij zeide: Wie is er, die lust heeft aan Joab, en wie is er, die voor David is, die volge Joab na!
  • 2 Kon 9:32 : 32 En hij hief zijn aangezicht op naar het venster, en zeide: Wie is met mij? Wie? Toen zagen op hem twee, drie kamerlingen.
  • Matt 12:30 : 30 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ex 32:27-29
    3 verzen
    82%

    27En hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; gaat door en keert weder, van poort tot poort in het leger, en een iegelijk dode zijn broeder, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste!

    28En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes; en er vielen van het volk, op dien dag, omtrent drie duizend man.

    29Want Mozes had gezegd: Vult heden uw handen den HEERE; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broeder; en dit, opdat Hij heden een zegen over ulieden geve!

  • 8Voorts zeide Mozes tot Korach: Hoort toch, gij, kinderen van Levi!

  • 20Toen zeide Mozes tot hen: Indien gij deze zaak doen zult, indien gij u voor het aangezicht des HEEREN zult toerusten ten strijde,

  • 25Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 7En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die de HEERE hem geboden had.

  • 25Als Mozes zag, dat het volk ontbloot was, (want Aaron had het ontbloot tot verkleining onder degenen, die tegen hen hadden mogen opstaan),

  • 3Mozes dan sprak tot het volk, zeggende: Dat zich mannen uit u ten strijde toerusten, en dat zij tegen de Midianieten zijn, om de wraak des HEEREN te doen aan de Midianieten.

  • 6Maar Mozes zeide tot de kinderen van Gad en tot de kinderen van Ruben: Zullen uw broeders ten strijde gaan, en zult gijlieden hier blijven?

  • 13En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 11En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 30Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en de oudsten van Israel.

  • 3Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:

  • 8En Mozes zeide tot hen: Blijft staande, dat ik hoor, wat de HEERE u gebieden zal.

  • 5Toen namen zij hetgeen Mozes geboden had, brengende dat tot voor aan de tent der samenkomst; en de gehele vergadering naderde, en stond voor het aangezicht des HEEREN.

  • 10Daar Hij u, en al uw broederen, de kinderen van Levi, met u, heeft doen naderen; zoekt gij nu ook het priesterambt?

  • 16Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 17En Mozes leidde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij stonden aan het onderste des bergs.

  • 52En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 13Maar Mozes en Eleazar, de priester, en alle oversten der vergadering, gingen uit hen tegemoet, tot buiten voor het leger.

  • 26Dezen zijn het, die tot Farao, den koning van Egypte, spraken, opdat zij de kinderen Israels uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aaron.

  • 16Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Toen deed Mozes de ganse vergadering der kinderen Israels verzamelen, en zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die de HEERE geboden heeft, dat men ze doe.

  • 44Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 20En Mozes deed, en Aaron, en de ganse vergadering der kinderen Israels, aan de Levieten, naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had van de Levieten, zo deden de kinderen Israels aan hen.

  • 38Die nu zich legeren zullen voor den tabernakel oostwaarts, voor de tent der samenkomst, tegen den opgang, zullen zijn Mozes, en Aaron met zijn zonen, waarnemende de wacht des heiligdoms, voor de wacht der kinderen Israels; en de vreemde die nadert, zal gedood worden.

  • 25Zo gebood Mozes den Levieten, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zeggende:

  • 6Doe den stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van den priester Aaron, opdat zij hem dienen;

  • 44En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 15Toen sprak Mozes tot den HEERE, zeggende:

  • Num 32:27-28
    2 verzen
    71%

    27Maar uw knechten zullen overtrekken, al wie ten heire toegerust is, voor het aangezicht des HEEREN tot den strijd, gelijk als mijn heer gesproken heeft.

    28Toen gebood Mozes, hunnenthalve, den priester Eleazar, en Jozua, den zoon van Nun, en den hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels;

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 26Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 6Voorts wanneer een Leviet zal komen uit een uwer poorten, uit gans Israel, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte zijner ziel, tot de plaats, die de HEERE zal hebben verkoren;

  • 29Toen ging Mozes en Aaron, en zij verzamelden al de oudsten der kinderen Israels.

  • 10Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • Lev 8:4-5
    2 verzen
    70%

    4Mozes nu deed, gelijk als de HEERE hem geboden had; en de vergadering werd verzameld aan de deur van de tent der samenkomst.

    5Toen zeide Mozes tot de vergadering: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft te doen.

  • 48Want de HEERE had tot Mozes gesproken, zeggende:

  • 26En hij sprak tot de vergadering, zeggende: Wijkt toch af van de tenten dezer goddeloze mannen, en roert niets aan van hetgeen hunner is, opdat gij niet misschien verdaan wordt in al hun zonden.

  • 16En Mozes telde hen naar het bevel des HEEREN, gelijk hem geboden was.

  • 11En Mozes gebood het volk te dien dage, zeggende:

  • 13En Mozes zeide tot den HEERE: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want Gij hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;

  • 23En Mozes zeide tot de kinderen Israels, dat zij den vloeker tot buiten het leger uitbrengen, en hem met stenen stenigen zouden. En de kinderen Israels deden, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.