Psalmen 104:24

Statenvertaling (States Bible)

Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 40:5 : 5 Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.
  • Jer 10:12 : 12 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.
  • Rom 11:33 : 33 O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
  • Ef 1:8 : 8 Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid;
  • Ef 3:10 : 10 Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods;
  • Ps 107:31 : 31 Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.
  • Ps 136:5 : 5 Dien, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
  • Spr 8:22-36 : 22 De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan. 23 Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. 24 Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water; 25 Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren. 26 Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld. 27 Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef; 28 Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte; 29 Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde; 30 Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende; 31 Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen. 32 Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren. 33 Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet. 34 Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren. 35 Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE. 36 Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.
  • Ps 50:10-12 : 10 Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen. 11 Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij. 12 Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.
  • Gen 1:31 : 31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.
  • Neh 9:6 : 6 Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeen en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U.
  • Job 5:9 : 9 Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;
  • Ps 8:3 : 3 Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.
  • Ps 24:1 : 1 Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
  • Ps 65:11 : 11 Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.
  • Gen 1:11-12 : 11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete gras, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo. 12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
  • Gen 1:24-25 : 24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo. 25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
  • Spr 3:19-20 : 19 De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid. 20 Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.
  • 1 Tim 6:17 : 17 Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 104:25-28
    4 verzen
    81%

    25Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.

    26Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.

    27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.

    28Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.

  • Ps 92:4-5
    2 verzen
    79%

    4Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.

    5Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.

  • 5Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.

  • 23De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.

  • 13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.

  • Ps 8:6-9
    4 verzen
    74%

    6En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?

    7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

    8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

    9Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt. [ (Psalms 8:10) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! ]

  • 1Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.

  • Ps 104:30-31
    2 verzen
    74%

    30Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.

    31De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.

  • 2Gimel. De werken des HEEREN zijn groot; Daleth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben.

  • 10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.

  • 22Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij. Loof den HEERE, mijn ziel!

  • 1Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.

  • 24Die zien de werken des HEEREN, en Zijn wonderwerken in de diepte.

  • 14Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.

  • 25Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.

  • 4Zain. Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt; Cheth. de HEERE is genadig en barmhartig.

  • 15Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand;

  • 9Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet?

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  • 12Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.

  • 5Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.

  • 24Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.

  • 10En: Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen;

  • 70%

    3Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.

  • 24Gedenk, dat gij Zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen.

  • 4Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.

  • 64HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.

  • 70%

    1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.

  • 6Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeen en alle afgronden.

  • 26Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist.

  • 24Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.

  • 19Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen der mensenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijner handelingen.

  • 6O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.

  • 14En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?

  • 11Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.

  • 15Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.

  • 6Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; Die trouwe houdt in der eeuwigheid.

  • 10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

  • 20Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:

  • 11Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen.

  • 24Heere HEERE! Gij hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in den hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden!

  • 10Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.