Psalmen 111:2

Statenvertaling (States Bible)

Gimel. De werken des HEEREN zijn groot; Daleth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 104:24 : 24 Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.
  • Ps 143:5 : 5 Ik gedenk aan de dagen van ouds; ik overleg al Uw daden; ik spreek bij mijzelven van de werken Uwer handen.
  • Ps 139:14 : 14 Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.
  • Spr 24:14 : 14 Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
  • Pred 3:11 : 11 Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe.
  • Jes 40:12 : 12 Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?
  • Jer 32:17-19 : 17 Ach, Heere HEERE! Zie, Gij hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm; geen ding is U te wonderlijk. 18 Gij, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid der vaderen vergeldt in den schoot hunner kinderen na hen; Gij grote, Gij geweldige God, Wiens Naam is HEERE der heirscharen! 19 Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen der mensenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijner handelingen.
  • Dan 4:3 : 3 Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht.
  • Rom 1:28 : 28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;
  • Rom 8:6 : 6 Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede;
  • Ef 1:19 : 19 En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht,
  • Ef 2:7-9 : 7 Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. 8 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; 9 Niet uit de werken, opdat niemand roeme. 10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.
  • 1 Petr 1:10-12 : 10 Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied; 11 Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende. 12 Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heilige Geest, Die van den hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
  • Opb 15:3 : 3 En zij zongen het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen!
  • Job 5:9 : 9 Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;
  • Job 9:10 : 10 Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
  • Job 26:12-14 : 12 Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing. 13 Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen. 14 Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?
  • Job 37:7 : 7 Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden Zijns werks.
  • Job 38:1-9 : 1 Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide: 2 Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap? 3 Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij. 4 Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt. 5 Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken? 6 Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd? 7 Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten. 8 Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam? 9 Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek; 10 Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren; 11 En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven. 12 Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats aangewezen; 13 Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden? 14 Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed? 15 En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken? 16 Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld? 17 Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods? 18 Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet. 19 Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats? 20 Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes? 21 Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal. 22 Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien? 23 Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs! 24 Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde? 25 Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen? 26 Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; 27 Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen. 28 Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws? 29 Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels? 30 Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat. 31 Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken? 32 Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden? 33 Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen? 34 Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke? 35 Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij? 36 Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven? 37 Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen? 38 Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven? 39 40 41
  • Job 41:1-9 : 1 Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou? 2 Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne. 3 Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis. 4 Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen? 5 Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking. 6 Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel. 7 Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen. 8 Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden. 9 Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads. 10 Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit. 11 Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedende pot en ruimen ketel. 12 Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort. 13 In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op. 14 De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen. 15 Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen. 16 Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich. 17 Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier. 18 Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout. 19 De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd. 20 De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans. 21 Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk. 22 Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij. 23 Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden. 24 Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen. 25 Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren. 26 27 28 29 30 31 32 33 34
  • Ps 77:11-12 : 11 Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert. 12 Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her;
  • Ps 92:4-5 : 4 Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp. 5 Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.
  • Spr 17:16 : 16 Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?
  • Spr 18:1-2 : 1 Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid. 2 De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
  • Ps 104:34 : 34 Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
  • Ps 107:43 : 43 Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandelijk letten op de goedertierenheden des HEEREN.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 111:3-4
    2 verzen
    79%

    3He. Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in der eeuwigheid.

    4Zain. Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt; Cheth. de HEERE is genadig en barmhartig.

  • 1Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.

  • Ps 92:4-5
    2 verzen
    77%

    4Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.

    5Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.

  • 11De HEERE heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen.

  • Ps 145:3-4
    2 verzen
    76%

    3Gimel. De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.

    4Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.

  • 31De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.

  • Ps 145:9-10
    2 verzen
    76%

    9Teth. De HEERE is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken.

    10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.

  • Ps 150:1-2
    2 verzen
    76%

    1Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!

    2Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!

  • Ps 111:6-7
    2 verzen
    75%

    6Caph. Hij heeft de kracht Zijner werken Zijn volke bekend gemaakt; Lamed. hun gevende de erve der heidenen.

    7Mem. De werken Zijner handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw.

  • 1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.

  • 3De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.

  • 74%

    9Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderwerken.

    10Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; dat zich het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde.

  • 3Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.

  • 74%

    1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben.

  • 24Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.

  • 2Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen?

  • 1Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.

  • 5Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.

  • Ps 105:2-3
    2 verzen
    73%

    2Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.

    3Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde zich.

  • 73%

    24Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.

    25Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen, en Hij is vreselijk boven alle goden.

  • 3Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.

  • Ps 33:4-5
    2 verzen
    73%

    4Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.

    5Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.

  • 17Tsade. De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.

  • Ps 107:21-22
    2 verzen
    73%

    21Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.

    22En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.

  • 31Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.

  • 2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;

  • 8Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.

  • 2Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!

  • 27Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en vrolijkheid zijn in Zijn plaats.

  • 5En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.

  • Ps 96:3-4
    2 verzen
    72%

    3Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.

    4Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.

  • 10Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.

  • 12Gedenkt Zijner wonderwerken, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en de oordelen Zijns monds;

  • 5Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds.

  • 22Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij. Loof den HEERE, mijn ziel!

  • 19HEERE, om Uws knechts wil, en naar Uw hart, hebt Gij al dezen grote dingen gedaan, om al deze grote dingen bekend te maken.

  • 9Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;

  • 27Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!