Psalmen 115:3
Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Want ik weet, dat de HEERE groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.
6Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeen en alle afgronden.
1Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.
2Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?
4Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;
19De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.
4De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.
5Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont.
6Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.
5Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.
3De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.
16Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.
25Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen, en Hij is vreselijk boven alle goden.
26Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.
3Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
11(Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.)
12Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.
7Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
15Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand;
35En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij?
4Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.
11Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.
5Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
23Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
13En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.
2Gimel. De werken des HEEREN zijn groot; Daleth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben.
8Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
19Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven;
8Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!
25Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!
14Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijner stem niet gehoorzaamden.
5Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.
41Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende:
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
5Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
6Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; Die trouwe houdt in der eeuwigheid.
15Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
14Ziet, des HEEREN, uws Gods, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is.
13Nu dan, onze God, wij danken U, en loven den Naam Uwer heerlijkheid.
1Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!
12Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.
13De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.
12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.
1Een lied op Alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
6Caph. Hij heeft de kracht Zijner werken Zijn volke bekend gemaakt; Lamed. hun gevende de erve der heidenen.
12HEERE! Gij zult ons vrede bestellen, want Gij hebt ons ook al onze zaken uitgericht.
23Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;
14Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
11Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. [ (Psalms 57:12) Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde. ]