Psalmen 119:91
Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.
Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
89Lamed. O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.
90Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;
160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
7Mem. De werken Zijner handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw.
8Samech. Zij zijn ondersteund voor altoos, en in eeuwigheid; Ain. zijnde gedaan in waarheid en oprechtigheid.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
44Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.
38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
28Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geeindigd worden. [ (Psalms 102:29) De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden. ]
124Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
126Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.
84Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.
112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.
138Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.
45Opdat zij Zijn inzettingen onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah!
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
98Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
63Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.
151Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.
152Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
7De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
36Zie, wij zijn heden knechten; ja, het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt, om de vrucht daarvan, en het goede daarvan te eten, zie, daarin zijn wij knechten.
11Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;
65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
1Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
16Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.
23Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
13Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht.
106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
164Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.
156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
16Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent; o HEERE! zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen.