Psalmen 66:11

Statenvertaling (States Bible)

Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Klaagl 1:13 : 13 Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.
  • Klaagl 3:2-9 : 2 Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht. 3 Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd. 4 Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken. 5 Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. 6 Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn. 7 Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard. 8 Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed. 9 Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd. 10 Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen. 11 Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt. 12 Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld. 13 He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan. 14 He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag. 15 He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt. 16 Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt. 17 Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten. 18 Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE. 19 Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle. 20 Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij. 21 Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen; 22 Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben; 23 Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot. 24 Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. 25 Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt. 26 Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN. 27 Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt. 28 Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft. 29 Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting. 30 Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad. 31 Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid. 32 Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden. 33 Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte. 34 Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt; 35 Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten; 36 Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien? 37 Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt? 38 Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede? 39 Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden. 40 Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE. 41 Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende: 42 Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard. 43 Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond. 44 Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam. 45 Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken. 46 Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd. 47 Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking. 48 Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks. 49 Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is; 50 Ain. Totdat het de HEERE van den hemel aanschouwe, en het zie. 51 Ain. Mijn oog doet mijn ziele moeite aan, vanwege al de dochteren mijner stad. 52 Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd. 53 Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen. 54 Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden! 55 Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil. 56 Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen. 57 Koph. Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet! 58 Resch. Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost. 59 Resch. Heere! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak. 60 Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij. 61 Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij; 62 Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag. 63 Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel. 64 Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen. 65 Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen! 66 Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN.
  • Ezech 12:13 : 13 Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonie, het land der Chaldeen; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal.
  • Hos 7:12 : 12 Wanneer zij zullen henengaan, zal Ik Mijn net over hen uitspreiden, Ik zal ze als vogelen des hemels doen nederdalen. Ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hun vergadering.
  • Matt 6:13 : 13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.
  • Deut 33:11 : 11 Zegen, HEERE! zijn vermogen, en laat U het werk zijner handen wel bevallen; versla de lenden dergenen, die tegen hem opstaan en hem haten, dat zij niet weder opstaan!
  • Job 19:6 : 6 Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 12Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.

  • Ps 66:9-10
    2 verzen
    80%

    9Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.

    10Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;

  • 19Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.

  • Deut 26:6-7
    2 verzen
    72%

    6Doch de Egyptenaars deden ons kwaad, en verdrukten ons, en legden ons een harden dienst op.

    7Toen riepen wij tot den HEERE, den God onzer vaderen; en de HEERE verhoorde onze stem en zag onze ellende aan, en onzen arbeid, en onze onderdrukking.

  • 72%

    13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

    14Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan.

  • Ps 44:10-11
    2 verzen
    72%

    10Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.

    11Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.

  • 12HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhouden, zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?

  • 43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.

  • 23Maar Ik zal hem dien, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uw ziel zeiden: Buig u neder, dat wij over u gaan; en gij legdet uw rug neder als aarde, en als een straat dergenen, die daarover gaan.

  • 5Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij woede, men laat ons geen rust.

  • Jes 26:16-17
    2 verzen
    71%

    16HEERE! in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was.

    17Gelijk een bevruchte vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeen, alzo zijn wij geweest, o HEERE! vanwege Uw aangezicht.

  • 1Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth;

  • 45Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.

  • Ps 44:24-25
    2 verzen
    70%

    24Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.

    25Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?

  • 11Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.

  • 4Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.

  • 6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.

  • 18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

  • 10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.

  • 10Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;

  • Ps 124:3-7
    5 verzen
    69%

    3Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.

    4Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.

    5Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.

    6De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.

    7Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.

  • 8Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.

  • 37En het vermenigvuldigt zijn inkomste voor den koningen, die Gij over ons gesteld hebt, om onzer zonden wil; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; alzo zijn wij in grote benauwdheid.

  • 15Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.

  • 20Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.

  • 3O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.

  • 13En na alles, wat over ons gekomen is, om onze boze werken, en om onze grote schuld, omdat Gij, o onze God! belet hebt, dat wij niet te onder zijn vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons een ontkoming gegeven, als deze is;

  • 33Doch Gij zijt rechtvaardig, in alles, wat ons overkomen is; want Gij hebt trouwelijk gehandeld, maar wij hebben goddelooslijk gehandeld.

  • Dan 9:14-15
    2 verzen
    69%

    14Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijner stem niet gehoorzaamden.

    15En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, gelijk hij is te dezen dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.

  • 3Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.

  • 11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.

  • 7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.

  • 13Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.

  • 6Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.

  • 22Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?

  • 2Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.

  • 8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;

  • 17Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.

  • 10Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o gij Palestina!