1 Kronieken 23:7
Uit de Gersonieten waren Ladan en Simei.
Uit de Gersonieten waren Ladan en Simei.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8De kinderen van Ladan waren dezen: Jehiel, het hoofd, en Zetham, en Joel; drie.
9De kinderen van Simei waren Selomith, en Haziel, en Haran, drie; dezen waren de hoofden der vaderen van Ladan.
10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.
17Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.
18En dit zijn de namen der zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simei.
17En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.
21Van Gerson was het geslacht der Libnieten, en het geslacht der Simeieten; dit zijn de geslachten der Gersonieten.
22Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.
23De geslachten der Gersonieten zullen zich legeren achter den tabernakel, westwaarts.
24De overste nu van het vaderlijke huis der Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Lael.
25En de wacht der zonen van Gerson in de tent der samenkomst zal zijn de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent der samenkomst;
21Van de kinderen van Ladan, kinderen van den Gersonieten Ladan; van Ladan, den Gersoniet, waren hoofden der vaderen Jehieli.
16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.
17En dit zijn de namen der zonen van Gerson: Libni en Simei.
6En David verdeelde hen in verdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kehath en Merari.
43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.
26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.
15De kinderen van Mozes waren Gersom en Eliezer.
16Van de kinderen van Gersom was Sebuel het hoofd.
57Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.
7Van de kinderen van Gersom was Joel overste, en van zijn broederen waren honderd en dertig.
8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.
17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;
14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;
20Van de overige kinderen van Levi nu, was van de kinderen van Amram Subael, van de kinderen van Subael was Jechdeja.
29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;
30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;
41Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Gerson, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron telden, naar het bevel des HEEREN.
23En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.
48De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;
38Insgelijks de getelden der zonen van Gerson, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen;
23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
12Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amasai, en Joel, de zoon van Azarja, van de kinderen der Kahathieten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehaleel; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;
13En van de kinderen van Elizafan, Simri en Jeiel; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;
14En van de kinderen van Heman, Jehiel en Simei; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziel.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
17Het tiende voor Simei; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
18Simei, de zoon van Ela, in Benjamin.
14Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
22Neem ook op de som der zonen van Gerson, naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten.
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
22Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath.
46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
15En van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, den zoon van Buni.
18Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd.
7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.