1 Kronieken 4:5
Asschur nu, de vader van Thekoa, had twee vrouwen, Hela en Naara.
Asschur nu, de vader van Thekoa, had twee vrouwen, Hela en Naara.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
8En Koz gewon Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.
24En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekoa.
19En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Maachathiet.
11En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.
12Eston nu gewon Beth-rafa, en Pasea, en Tehinna, den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha.
13En de kinderen van Kenaz waren Othniel en Seraja; en de kinderen van Othniel, Hathath.
2En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;
3En dezen zijn van den vader Etam: Jizreel, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelponi.
4En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.
15Ahimaaz was in Nafthali; deze nam ook Salomo's dochter, Basmath, ter vrouwe.
16Baana, de zoon van Husai, was in Aser en in Aloth.
21De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbea.
26Jerahmeel had nog een andere vrouw, welker naam was Atara; zij was de moeder van Onam.
7En Naaman, en Ahia, en Gera; dezen voerde hij weg; en hij gewon Uzza en Ahihud.
8En Saharaim gewon kinderen in het land van Moab (nadat hij dezelve weggezonden had) uit Husim en Baara, zijn vrouwen;
9En uit Hodes, zijn huisvrouw, gewon hij Joab, en Zibja, en Mesa, en Malcham,
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
2En hij had twee vrouwen; de naam van de ene was Hanna, en de naam van de andere was Peninna. Peninna nu had kinderen, maar Hanna had geen kinderen.
39En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,
46En de naam der dochter van Aser was Serah.
1Benjamin nu gewon Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, den tweede, en Ahrah, den derde,
2Naho, den vierde, en Rafa, den vijfde.
34Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah,
35De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaarea, en Achaz.
41De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaerea.
30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
4En Abisua, en Naaman, en Ahoah,
22En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;
23(En Bethuel gewon Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, den broeder van Abraham.
24En zijn bijwijf, welker naam was Reuma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maacha.
29De naam nu der huisvrouw van Abisur was Abihail: die baarde hem Achban en Molid.
15De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naam; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.
16En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel.
14De kinderen van Manasse waren Asriel, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead.
48Uit het bijwijf Maacha gewon Kaleb: Seber en Tirhana.
26Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;
51Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.
29En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.
26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
16En Maacha, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naams zijns broeders was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem.