1 Koningen 9:18

Statenvertaling (States Bible)

En Baalath, en Tamor in de woestijn, in dat land;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Joz 19:44 : 44 En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
  • 2 Kron 8:4 : 4 Hij bouwde ook Thadmor in de woestijn, en al de schatsteden, die hij bouwde in Hamath.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 2 Kron 8:1-6
    6 verzen
    81%

    1Het geschiedde nu ten einde van twintig jaren, in dewelke Salomo het huis des HEEREN en zijn huis gebouwd had,

    2Dat Salomo de steden, welke Huram hem gegeven had, bouwde, en de kinderen Israels aldaar deed wonen.

    3Daarna toog Salomo naar Hamath-Zoba, en hij overweldigde het.

    4Hij bouwde ook Thadmor in de woestijn, en al de schatsteden, die hij bouwde in Hamath.

    5Ook bouwde hij het hoge Beth-horon en het neder Beth-horon, vaste steden met muren, deuren en grendelen;

    6Mitsgaders Baalath, en al de schatsteden, die Salomo had, en alle wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerd had te bouwen, in Jeruzalem, en in den Libanon, en in het ganse land zijner heerschappij.

  • 19En al de schatsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op den Libanon, en in het ganse land zijner heerschappij.

  • 17Alzo bouwde Salomo Gezer, en het lage Beth-horon.

  • 44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,

  • 70%

    10En het geschiedde ten einde van twintig jaren, in dewelke Salomo die twee huizen gebouwd had, het huis des HEEREN en het huis des konings;

    11(Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Salomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat alstoen de koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galilea.

  • 22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,

  • 17Toen toog Salomo naar Ezeon-Geber, en naar Eloth, aan den oever der zee, in het land Edom.

  • 61In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha,

  • Joz 13:17-20
    4 verzen
    69%

    17Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baal, en Beth-Baal-meon,

    18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,

    19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,

    20En Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth;

  • Joz 15:23-24
    2 verzen
    68%

    23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,

    24Zif, en Telem, en Bealoth,

  • 15Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis des HEEREN te bouwen, en zijn huis, en Millo, en den muur van Jeruzalem, mitsgaders Hazor, en Megiddo, en Gezer.

  • 29En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,

  • 34Hadid, Zeboim, Neballat,

  • 67%

    11De zoon van Abinadab had de ganse landstreek van Dor; deze had Tafath, de dochter van Salomo, tot een vrouw.

    12Baana, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het ganse Beth-Sean, hetwelk is bij Zartana, beneden van Jizreel, van Beth-Sean aan tot Abel-Mehola, tot op gene zijde van Jokmeam.

  • Joz 15:26-30
    5 verzen
    66%

    26Amam, en Sema, en Molada,

    27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,

    28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,

    29Baala, en Ijim, en Azem,

    30En Eltholad, en Chesil, en Horma,

  • 4En Eltholad, en Bethul, en Horma,

  • 8Ook nam David zeer veel kopers uit Tibchath, en uit Chun, steden van Hadar-ezer; daarvan heeft Salomo de koperen zee, en de pilaren, en de koperen vaten gemaakt.

  • 13Daarom zeide hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broeder, die gij mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land Kabul, tot op dezen dag.

  • Joz 19:36-37
    2 verzen
    66%

    36En Adama, en Rama, en Hazor,

    37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,

  • 6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.

  • 6Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekoa,

  • 21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.

  • 12En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde, behalve hetgeen zij tot den koning gebracht had; zo keerde zij, en toog naar haar land, zij en haar knechten.

  • 9De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon.

  • 25Ook had Salomo vier duizend paardenstallen, en wagenen, en twaalf duizend ruiteren; en hij legde ze in de wagensteden, en bij den koning te Jeruzalem.

  • 31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.

  • 12Van Syrie, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van den roof van Hadad-ezer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba.

  • 3Als nu de koningin van Scheba zag de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had,

  • 27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,

  • 1Het geschiedde nu, als Salomo voleind had te bouwen het huis des HEEREN en het huis des konings, en al de begeerten van Salomo, die hem gelust had te maken;

  • 28En zij brachten voor Salomo paarden uit Egypte, en uit al die landen.

  • 4Daartoe bouwde hij steden op het gebergte van Juda; en in de wouden bouwde hij burchten en torens.

  • 26Daartoe vergaderde Salomo wagenen en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagenen, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij den koning in Jeruzalem.

  • 41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.