Job 38:7

Statenvertaling (States Bible)

Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 1:6 : 6 Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
  • Job 2:1 : 1 Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen.
  • Ps 104:4 : 4 Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
  • Zach 4:7 : 7 Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven!
  • Opb 2:28 : 28 En Ik zal hem de morgenster geven.
  • Opb 5:11 : 11 En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom den troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden;
  • Opb 22:16 : 16 Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.
  • Ezra 3:11-12 : 11 En zij zongen bij beurten, met den HEERE te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israel. En al het volk juichte met groot gejuich, als men den HEERE loofde over de grondlegging van het huis des HEEREN. 12 Maar velen van de priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 38:4-6
    3 verzen
    78%

    4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.

    5Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?

    6Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?

  • Job 38:8-10
    3 verzen
    77%

    8Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?

    9Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;

    10Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;

  • Job 38:12-13
    2 verzen
    73%

    12Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats aangewezen;

    13Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?

  • Ps 148:3-4
    2 verzen
    72%

    3Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren!

    4Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt!

  • Job 38:30-35
    6 verzen
    71%

    30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.

    31Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?

    32Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden?

    33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?

    34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

    35Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?

  • 71%

    3Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.

  • Spr 8:25-31
    7 verzen
    71%

    25Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.

    26Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld.

    27Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;

    28Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;

    29Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;

    30Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;

    31Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.

  • Gen 1:14-17
    4 verzen
    70%

    14En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!

    15En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo.

    16God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.

    17En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.

  • 19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?

  • 7De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.

  • Job 38:24-25
    2 verzen
    69%

    24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?

    25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?

  • 8Die het bruisen der zeeen stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken.

  • Job 38:37-38
    2 verzen
    69%

    37Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?

    38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

  • 12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  • 18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?

  • Job 9:7-9
    3 verzen
    68%

    7Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;

    8Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;

    9Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;

  • 10En: Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen;

  • 10Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, Die de psalmen geeft in den nacht?

  • 6Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.

  • 11Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.

  • 8Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven,

  • 4Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.

  • 15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?

  • 4Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en den hemel maakte.

  • 16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?