Psalmen 116:13
Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.
Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
17Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
18Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
19In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!
14Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
12Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
16Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.
3De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.
21Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.
4Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.
5De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.
4Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden.
9Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.
14De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.
12Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?
35En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heiligen Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.
1Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;
2Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
14Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;
6De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
5Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.
6Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.
49Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.
6Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.
2Ziet, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de Heere HEERE is mijn Sterkte en mijn Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden.
3En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils;
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
13Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
17Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen. [ (Psalms 7:18) Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen. ]
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
13Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.
1Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.
5De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot.
47Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.
9Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.
6Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
50Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.
14Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want Gij zijt mijn Lof.
25Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
30Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
1Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.
2Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.
26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
19Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.
14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
9Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven. [ (Psalms 20:10) O HEERE! behoud; die Koning verhore ons ten dage van ons roepen. ]
6Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
2De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
5Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.