Psalmen 145:16

Statenvertaling (States Bible)

Pe. Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 104:28 : 28 Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
  • Ps 107:9 : 9 Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;
  • Ps 132:15 : 15 Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.
  • Job 38:27 : 27 Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 145:14-15
    2 verzen
    83%

    14Samech. De HEERE ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen.

    15Ain. Aller ogen wachten op U; en Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd.

  • Ps 104:27-30
    4 verzen
    82%

    27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.

    28Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.

    29Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.

    30Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.

  • 9Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;

  • 8Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.

  • 17Tsade. De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.

  • 14Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.

  • 5Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.

  • 26Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.

  • 25Die allen vlees spijs geeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  • 10In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.

  • 7Die den verdrukte recht doet, Die den hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los.

  • Ps 65:9-11
    3 verzen
    69%

    9En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen.

    10Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed.

    11Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.

  • 4En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.

  • 13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.

  • 15Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.

  • 29Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.

  • Ps 145:9-10
    2 verzen
    68%

    9Teth. De HEERE is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken.

    10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.

  • 8Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.

  • 9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.

  • 19Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.

  • 15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.

  • 12En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en Gij heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken.

  • 24Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.

  • 14Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.

  • 4Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as. Sela.

  • 5Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.

  • 2O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!

  • 67%

    10Gij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft; want om dezer zake wil zal u de HEERE, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan gij uw hand slaat.

    11Want de arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land.

  • 131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.

  • 19Resch. Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen.

  • 7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.

  • 3En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat.

  • 9En de HEERE, uw God, zal u doen overvloeien in al het werk uwer hand, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands, ten goede; want de HEERE zal wederkeren, om Zich over u te verblijden ten goede, gelijk als Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft;

  • 16Alzo zou Hij ook u afgekeerd hebben van den mond des angstes tot de ruimte, onder dewelke geen benauwing zou geweest zijn; en het gerecht uwer tafel zou vol vettigheid geweest zijn.

  • 5O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?

  • 2Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan.

  • 3Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.

  • 25Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.

  • 15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.

  • 15Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.

  • 7Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden.

  • 10Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.