Psalmen 148:12
Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen!
Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!
10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!
11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
13Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.
14En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd, den roem al Zijner gunstgenoten, der kinderen Israels, des volks, dat nabij Hem is. Hallelujah!
31Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.
32En Hem verhogen in de gemeente des volks, en in het gestoelte der oudsten Hem roemen.
1Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!
4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
5En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.
13Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis.
12O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God.
1Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de gemeente Zijner gunstgenoten.
2Dat Israel zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.
3Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp.
2Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,
22Opdat men den Naam des HEEREN vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;
11En wederom: Looft den Heere, al gij heidenen, en prijst Hem, al gij volken!
11Caph. Zij zullen de heerlijkheid Uws Koninkrijks vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken.
12Lamed. Om de mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer der heerlijkheid Zijns Koninkrijks.
6Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!
6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.
16Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens, en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer.
1Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.
4Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.
1Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!
2Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen!
1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
2De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
31Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De HEERE regeert.
13En gans Juda stond voor het aangezicht des HEEREN, ook hun kinderkens, hun vrouwen en hun zonen.
1Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!
2Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!
4Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; een ieder zal zijn stok in zijn hand hebben vanwege de veelheid der dagen.
5En de straten dier stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes, spelende op haar straten.
11Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.
12Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen des wouds juichen.
12Laat ze den HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.
4Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.
13Zij hebben de jongelingen weggenomen, om te malen, en de jongens struikelen onder het hout.
17Want hoe groot zal zijn goed wezen en hoe groot zal zijn schoonheid wezen! Het koren zal de jongelingen, en de most zal de jonkvrouwen sprekende maken.
16Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.
11Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.
12Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.
2O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
1Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!
3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
15Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.
4Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt!