Psalmen 83:1
Een lied, een psalm van Asaf.
Een lied, een psalm van Asaf.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
2O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!
22HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij.
23Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak.
2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?
20Maar de HEERE is in Zijn heiligen tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!
2Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
8Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.
3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
1Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.
22Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den gansen dag.
23Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders; het getier dergenen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op.
1Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.
3Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.
1O HEERE! waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?
8Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
10Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.
19Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigte zijn zij tegen mij geweest.
5Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
12O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp.
21En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.
10Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
8Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien.
8HEERE, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.
2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
4O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.
6O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des HEEREN doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen!
5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
23Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
4Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.
7Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
12Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; [ (Psalms 30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. ]
19Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.
12HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhouden, zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?
7Hoe zoudt gij stil houden? De HEERE heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, aldaar heeft Hij het besteld.
5Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
2Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?
11Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
1Zwijgt voor Mij, gij eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.
6Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.
1Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden;
46Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.
14O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.