1 Kronieken 2:15
Ozem, den zesde, David, den zevende.
Ozem, den zesde, David, den zevende.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isai,
13En Isai gewon Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, den tweede, en Simea, den derde,
14Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,
16En hun zusters waren Zeruja en Abigail. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El drie.
9Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;
10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
2Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
4Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneel de vijfde.
5Ammiel de zesde, Issaschar de zevende, Peullethai de achtste; want God had hem gezegend.
15En Zebadja, en Arad, en Eder,
38Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.
8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.
22En Obed gewon Isai; en Isai gewon David.
6En Jessai gewon David, den koning; en David, den koning, gewon Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest;
4En de vierde, Adonia, de zoon van Haggith; en de vijfde Sefatja, de zoon van Abital;
5En de zesde, Jithream, van Egla, Davids huisvrouw. Dezen zijn David geboren te Hebron.
42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
42En Achaz gewon Jaera, en Jaera gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; en Zimri gewon Moza;
44Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.
7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.
2De derde Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Thalmai, de koning te Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;
3De vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, van zijn huisvrouw Egla.
17Het tiende voor Simei; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
37En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,
38En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,
10Het derde voor Zakkur; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
31En Gedor, en Ahio, en Zecher.
13Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
8En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimaaz;
9En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan;
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
36En Achaz gewon Jehoadda, en Jehoadda gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza;
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
53Zadok zijn zoon; Ahimaaz zijn zoon.
12David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
8En Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Ozias;
14Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
7En Elisama, en Beeljada, en Elifelet.
10Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,