1 Kronieken 6:23
Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir;
Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;
34Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah,
35Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai,
36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
37Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,
38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.
39En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechter zijde; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Simea,
40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,
41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
24En Eleazar, de zoon van Aaron, nam voor zich een van de dochteren van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.
24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.
25De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.
26Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;
27Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.
28De zonen van Samuel nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia.
29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;
30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.
2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
3En de kinderen van Amram waren Aaron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
4En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisua;
6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.
50Dit nu zijn de kinderen van Aaron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon;
51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;
52Merajoth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Ahitub zijn zoon;
53Zadok zijn zoon; Ahimaaz zijn zoon.
45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,
17En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealthiel;
19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.
10Salomo's zoon nu was Rehabeam; zijn zoon was Abia; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Josafat;
11Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas;
5En van de Silonieten was Asaja, de eerstgeborene, en zijn kinderen.
43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.
21En de zonen van Uzziel: Misael, en Elzafan, en Sithri.
22En Aaron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zuster van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
44Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.
8De kinderen van Ethan nu waren Azaria.
6Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,
12De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier.
35En Joel, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Saraja, den zoon van Asiel,
13Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkia; zijn zoon was Manasse;
26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;
5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,
38Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.
16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
36En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Ner, en Nadab.