1 Kronieken 6:81
En Hesbon en haar voorsteden, en Jaezer en haar voorsteden.
En Hesbon en haar voorsteden, en Jaezer en haar voorsteden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
39Hesbon en haar voorsteden, Jaezer en haar voorsteden: al die steden zijn vier.
78En aan gene zijde van de Jordaan tegen Jericho, tegen het oosten aan de Jordaan, van den stam van Ruben: Bezer in de woestijn, en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden,
79En Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden;
80En van den stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden,
58En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,
59En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden.
25Dat hun landpale was Jaezer, en al de steden van Gilead, en het halve land der kinderen Ammons, tot Aroer toe, die voor aan Rabba is;
26En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir;
27En in het dal, Beth-haram, en Beth-nimra, en Sukkoth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, den koning te Hesbon, de Jordaan en haar landpale, tot aan het einde der zee van Cinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten.
36En van den stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden;
71De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van den halven stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharoth, en haar voorsteden.
72En van den stam van Issaschar: Kedes en haar voorsteden, Dobrath en haar voorsteden,
73En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden.
74En van den stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdor en haar voorsteden,
75En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.
76En van den stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjathaim en haar voorsteden.
68En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden,
69En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden.
3Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;
17Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baal, en Beth-Baal-meon,
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
9Van Aroer aan, die aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die in het midden der beek is, en al het vlakke land van Medeba tot Dibon toe;
10En al de steden van Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon geregeerd heeft, tot aan de landpale der kinderen Ammons;
11En Gilead, en de landpale der Gezurieten, en der Maachathieten, en den gansen berg Hermon, en gans Bazan, tot Salcha toe;
35En Atroth-Sofan, en Jaezer, en Jogbeha,
25Alzo nam Israel al deze steden in; en Israel woonde in al de steden der Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.
26Want Hesbon was de stad van Sihon, den koning der Amorieten; en hij had gestreden tegen den vorigen koning der Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.
27Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Komt tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon!
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
62En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen.
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
43Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten.
30Zodat hun landpale was van Mahanaim af, het ganse Bazan, het ganse koninkrijk van Og, den koning van Bazan, en al de vlekken van Jair, die in Bazan zijn, zestig steden.
16En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen.
20En Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth;
15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;
16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
8En aan gene zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van den stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van den stam van Gad; en Golan in Bazan, van den stam van Manasse.
8Want de velden van Hesbon zijn verflauwd, ook de wijnstok van Sibma, de heren der heidenen hebben zijn uitgelezen planten verpletterd; zij reiken tot Jaezer toe, zij dwalen door de woestijn; hun scheuten zijn uitgespreid, zij zijn gegaan over zee.
30En van den stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden;
31En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.
34Hadid, Zeboim, Neballat,
25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
55En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en haar voorsteden rondom dezelve.
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
3En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
64Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden.