1 Kronieken 7:33
De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet.
De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
32En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.
38De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.
7En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
47De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saaf.
34En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
6En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
15En Ibchar, en Elischua en Nefeg, en Jafia,
3En dezen zijn van den vader Etam: Jizreel, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelponi.
31En de kinderen van Appaim waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.
32En de kinderen van Jada, den broeder van Sammai, waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.
33De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.
22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.
6En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
5De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
16En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel.
43En Jiftah, en Asna, en Nezib,
53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.
6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.
55De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
5De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.
32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.
28En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.
26En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.