Genesis 10:8
En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.
En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaan.
9En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de kinderen van Raema waren Scheba en Dedan.
10Cusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.
11En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,
9Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN.
10En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
11Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach.
6En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaan.
7En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.
13En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,
20En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,
26En Joktan gewon Almodad, en selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,
1Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.
18Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.
15En Kanaan gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
24En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.
4En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden!
25En hij zeide: Vervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijn broederen!
7Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.
20En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.
1En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!
1En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.
9Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HEERE over de ganse aarde.
4In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
1En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,
18En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaanieten verspreid.