Genesis 10:15

Statenvertaling (States Bible)

En Kanaan gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Gen 15:18-21 : 18 Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: 19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet, 20 En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten, 21 En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.
  • 1 Kron 1:13 : 13 Kanaan nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
  • Jes 23:4 : 4 Word beschaamd, o Sidon! want de zee spreekt, ja, de sterkte der zee, zeggende: Ik heb geen barensnood gehad, ik heb ook niet gebaard, en ik heb geen jongelingen groot gemaakt, en geen jonge dochters opgebracht.
  • Gen 23:3 : 3 Daarna stond Abraham op van het aangezicht van zijner dode, en hij sprak tot de zonen Heths, zeggende:
  • Gen 28:3-9 : 3 En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt. 4 En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft. 5 Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, den zoon van Bethuel, den Syrier, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder. 6 Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaan; 7 En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-Aram getrokken was; 8 En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaan kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader; 9 Zo ging Ezau tot Ismael, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismael, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth. 10 Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran. 11 En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats. 12 En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder. 13 En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. 14 En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 15 En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb. 16 Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten! 17 En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels! 18 Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op. 19 En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz. 20 En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken;
  • Gen 49:13 : 13 Zebulon zal aan de haven der zeeen wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon.
  • Ex 3:8 : 8 Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats der Kanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten.
  • Ex 34:11 : 11 Onderhoudt gij hetgeen Ik u heden gebiede! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanaanieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten.
  • Num 34:2-9 : 2 Gebied den kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanaan ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanaan, naar zijn landpalen. 3 De zuiderhoek nu zal u zijn van de woestijn Zin, aan de zijden van Edom; en de zuider landpale zal u zijn van het einde der Zoutzee tegen het oosten; 4 En deze landpale zal u omgaan van het zuiden naar den opgang van Akrabbim, en doorgaan naar Zin; en haar uitgangen zullen zijn, van het zuiden naar Kades-Barnea; en zij zal uitgaan naar Hazar-Addar, en doorgaan naar Azmon. 5 Voorts zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn naar de zee. 6 Aangaande de landpale van het westen, daar zal u de grote zee de landpale zijn; dit zal uw landpale van het westen zijn. 7 Voorts zal u de landpale van het noorden deze zijn: van de grote zee af zult gij u den berg Hor aftekenen. 8 Van den berg Hor zult gij aftekenen tot daar men komt te Hamath; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar Zedad. 9 En deze landpale zal uitgaan naar Zifron, en haar uitgangen zullen zijn te Hazar-Enan; dit zal u de noorder landpale zijn. 10 Voorts zult gij u tot een landpale tegen het oosten aftekenen van Hazar-Enan naar Sefam. 11 En deze landpale zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen het oosten van Ain; daarna zal deze landpale afgaan en strekken langs den oever van de zee Cinnereth oostwaarts. 12 Voorts zal deze landpale afgaan langs de Jordaan, en haar uitgangen zullen zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijn landpale rondom. 13 En Mozes gebood den kinderen Israels, zeggende: Dit is het land, dat gij door het lot ten erve innemen zult, hetwelk de HEERE aan de negen stammen en den halven stam van Manasse te geven geboden heeft. 14 Want de stam van de kinderen der Rubenieten, naar het huis hunner vaderen, en de stam van de kinderen der Gadieten, naar het huis hunner vaderen, hebben ontvangen; mitsgaders de halve stam van Manasse heeft zijn erfenis ontvangen. 15 Twee stammen en een halve stam hebben hun erfenis ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts tegen den opgang.
  • Joz 11:8 : 8 En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten.
  • Joz 12:8-9 : 8 Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de aflopingen der wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanaanieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten. 9 De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een; 10 De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een; 11 De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een; 12 De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een; 13 De koning van Debir, een; de koning van Geder, een; 14 De koning van Horma, een; de koning van Harad, een; 15 De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een; 16 De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een; 17 De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een; 18 De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een; 19 De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een; 20 De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een; 21 De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een; 22 De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een; 23 De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een; 24 De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.
  • 2 Sam 11:3 : 3 En David zond henen, en ondervraagde naar deze vrouw; en men zeide: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de huisvrouw van Uria, den Hethiet?

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 1 Kron 1:8-18
    11 verzen
    95%

    8De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaan.

    9En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de kinderen van Raema waren Scheba en Dedan.

    10Cusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.

    11En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,

    12En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van welke de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten.

    13Kanaan nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,

    14En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,

    15En den Heviet, en den Arkiet, en den Siniet,

    16En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.

    17De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.

    18Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.

  • Gen 10:16-21
    6 verzen
    74%

    16En de Jesubiet, en de Amoriet, en de Girgasiet,

    17En de Hivviet, en de Arkiet, en de Siniet,

    18En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaanieten verspreid.

    19En de landpale der Kanaanieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe.

    20Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken.

    21Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste.

  • Gen 10:13-14
    2 verzen
    73%

    13En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,

    14En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.

  • 6En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaan.

  • 18En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaan.

  • 20En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,

  • 25En hij zeide: Vervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijn broederen!

  • 24En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.

  • 26En Joktan gewon Almodad, en selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,

  • 28En Ebron, en Rehob, en Hammon, en Kana, tot aan groot Sidon.

  • 22En Cham, Kanaans vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijn beiden broederen daar buiten te kennen.

  • Gen 15:19-21
    3 verzen
    68%

    19Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,

    20En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten,

    21En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.

  • 10En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.

  • 1Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.

  • 1 Kron 1:1-4
    4 verzen
    68%

    1Adam, Seth, Enos,

    2Kenan, Mahalal-el, Jered,

    3Henoch, Methusalah, Lamech,

    4Noach, Sem, Cham en Jafeth.

  • 68%

    24Sem, Arfachsad, Selah,

    25Heber, Peleg, Rehu,

  • 8En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.

  • 5Als nu de kinderen Israels woonden in het midden der Kanaanieten, der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten;

  • 18Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez gewon Hezron;

  • 25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,

  • 7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.

  • 37Den zoon van Mathusala, den zoon van Enoch, den zoon van Jared, den zoon van Malaleel, den zoon van Kainan,

  • 57Kain, Gibea, en Timna; tien steden en haar dorpen.

  • 3Vijf vorsten der Filistijnen, en al de Kanaanieten, en de Sidoniers, en de Hevieten, wonende in het gebergte van den Libanon, van den berg Baal-Hermon, tot daar men komt te Hamath.