Numeri 13:5
Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.
Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;
20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
6Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.
4En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.
19En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
15Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.
12En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.
24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
10En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.
8Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.
9Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.
10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
13Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.
14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.
15Van de stam van Gad, Guel, de zoon van Machi.
16Doch over de stammen van Israel waren dezen: over de Rubenieten was Eliezer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefatja, de zoon van Maacha;
12Joel was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jaenai en Safat bleven in Basan.
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
1De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.
29En over de runderen, die in Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in de laagten, was Safat, de zoon van Adlai.
20En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isei waren Zoheth en Ben-Zoheth.
12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;
13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
25Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zeven duizend en honderd;
12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
43De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.
15De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
39Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
5En van de Silonieten was Asaja, de eerstgeborene, en zijn kinderen.
45De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.
30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;
42Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seir; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Izziel, de zonen van Isei, waren hun tot hoofden.
27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;
8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.
10En Hosa, uit de kinderen van Merari, had zonen; Simri was het hoofd; (alhoewel hij de eerstgeborene niet was, nochtans stelde hem zijn vader tot een hoofd).
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
1Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel der kinderen van Juda.
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;
17En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.
18En dit zijn de namen der zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simei.
23Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.