Numeri 13:5

Statenvertaling (States Bible)

Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

  • Num 34:19-20
    2 verzen
    73%

    19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;

    20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;

  • 6Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.

  • 4En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.

  • 19En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

  • 15Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.

  • 12En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.

  • 24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.

  • 10En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.

  • Num 13:8-10
    3 verzen
    69%

    8Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.

    9Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.

    10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.

  • 31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,

  • 32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.

  • Num 13:13-15
    3 verzen
    69%

    13Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.

    14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.

    15Van de stam van Gad, Guel, de zoon van Machi.

  • 16Doch over de stammen van Israel waren dezen: over de Rubenieten was Eliezer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefatja, de zoon van Maacha;

  • 12Joel was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jaenai en Safat bleven in Basan.

  • 5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;

  • 1De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.

  • 29En over de runderen, die in Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in de laagten, was Safat, de zoon van Adlai.

  • 20En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isei waren Zoheth en Ben-Zoheth.

  • Num 26:12-13
    2 verzen
    67%

    12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;

    13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.

  • 25Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zeven duizend en honderd;

  • 12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.

  • 43De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.

  • 15De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.

  • 27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;

  • 39Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.

  • 5En van de Silonieten was Asaja, de eerstgeborene, en zijn kinderen.

  • 45De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.

  • 30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.

  • 14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;

  • 42Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seir; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Izziel, de zonen van Isei, waren hun tot hoofden.

  • 27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;

  • 8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.

  • 10En Hosa, uit de kinderen van Merari, had zonen; Simri was het hoofd; (alhoewel hij de eerstgeborene niet was, nochtans stelde hem zijn vader tot een hoofd).

  • 65%

    36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,

    37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.

  • 1Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel der kinderen van Juda.

  • 37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;

  • 13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.

  • 19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;

  • 17En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.

  • 18En dit zijn de namen der zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simei.

  • 23Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.