Psalmen 68:6
Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.
Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam; hoogt de wegen voor Dien, Die in de vlakken velden rijdt, omdat Zijn Naam is HEERE; en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.
40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
41Maar Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.
7Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.
7Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
8Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
9Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!
33Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land.
34Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.
35Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.
36En Hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten een stad ter woning;
6Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
7Die den verdrukte recht doet, Die den hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los.
8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;
8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
9De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.
9De HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddelozen weg keert Hij om.
9Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn; zelfs deze Sinai, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israel.
10Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.
3En die Hij uit de landen verzameld heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.
4Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis, die geen stad ter woning vonden;
17Die de wereld als een woestijn stelde, en derzelver steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?
14Hij voerde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij brak hun banden.
7De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
8Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beerven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.
18Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid!
15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.
11Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.
9Om te zeggen tot de gebondenen: Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn: Komt te voorschijn; zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen.
6Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen. [ (Psalms 53:7) Och, dat Israels verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn. ]
7Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;
6Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.
10Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;
14De omzwevende gevangene zal haastelijk los gelaten worden; en hij zal in den kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken.
2De HEERE bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israels verdrevenen.
3Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten.
7Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.
8Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;
26De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden.
4Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.
20Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben;
6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.
12Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.
18Die het recht van den wees en van de weduwe doet; en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve.
3Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.
33De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
3En de HEERE, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen; en Hij zal wederkeren en u vergaderen uit al de volken, waarheen u de HEERE, uw God, verstrooid had.
27Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.
1Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth;
2Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.