Openbaring 7:6

Statenvertaling (States Bible)

Uit het geslacht van Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend verzegeld;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Luk 2:36 : 36 En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuel, uit den stam van Aser; deze was tot groten ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Opb 7:7-9
    3 verzen
    90%

    7Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld;

    8Uit het geslacht van Zebulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Benjamin waren twaalf duizend verzegeld.

    9Na dezen zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palm takken waren in hun handen.

  • Opb 7:3-5
    3 verzen
    89%

    3Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.

    4En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israels.

    5Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld;

  • Num 1:29-31
    3 verzen
    72%

    29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.

    30Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

  • Num 1:39-44
    6 verzen
    71%

    39Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.

    40Van de zonen van Aser, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    41Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.

    42Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.

    44Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aaron, en de oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.

  • 40Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.

  • 35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.

  • 27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.

  • 5Alzo werden geleverd uit de duizenden van Israel, duizend van elken stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.

  • 13Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.

  • Ex 1:3-4
    2 verzen
    69%

    3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;

    4Dan en Nafthali, Gad en Aser.

  • 69%

    36En uit Aser, uitgaande in het heir, om krijgsorde te houden, waren veertig duizend;

    37En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend.

  • 6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.

  • Num 2:27-28
    2 verzen
    68%

    27En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiel, de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn.

    28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.

  • 34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.

  • 21Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 47Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 5En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde.

  • 12Nu dan, neemt gijlieden u twaalf mannen uit de stammen Israels, uit iederen stam een man;

  • 13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

  • 13En dezen zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.

  • 62En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden.

  • 66%

    25Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zeven duizend en honderd;

    26Van de kinderen van Levi, vier duizend en zeshonderd;

  • 7Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.

  • 27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.

  • 34Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.

  • 33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;

  • 4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.

  • 30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.

  • 30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 23Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

  • 1En ik zag, en ziet, het Lam stond op den berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden.

  • 7Aan de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, twaalf steden.

  • 37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.