1 Kronieken 24:11
Het negende voor Jesua, het tiende voor Sechanja,
Het negende voor Jesua, het tiende voor Sechanja,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim,
13Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab,
7Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,
8Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim,
9Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin,
10Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,
9En de Levieten, namelijk: Jesua, zoon van Azanja, Binnui; van de zonen van Henadad, Kadmiel;
10En hun broederen: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan,
11Micha, Rehob, Hasabja,
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
15Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,
16Het negentiende voor Petahja, het twintigste voor Jehezkel,
17Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul,
20Magpias, Mesullam, Hezir,
21Mesezabeel, Zadok, Jaddua,
14Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
16Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
13Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.
24Hallohes, Pilha, Sobek,
25Rehum, Hasabna, Maaseja,
10Jesua nu gewon Jojakim, en Jojakim gewon Eljasib, en Eljasib gewon Jojada,
6Semaja, en Jojarib, Jedaja,
2Amarja, Malluch, Hattus,
3Sechanja, Rehum, Meremoth,
14Van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef;
22De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes.
4Hattus, Sebanja, Malluch,
10Van de priesteren nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin,
36Vanja, Meremoth, Eljasib,
37Mattanja, Mathnai, en Jaasai,
38En Bani, en Binnui, Simei,
39En Selemja, en Nathan, en Adaja,
40Machnadbai, Sasai, Sarai,
23En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.
21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel.
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;
19Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
5Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen.
8En de Levieten waren: Jesua, Binnui, Kadmiel, Serebja, Juda, Matthanja; hij en zijn broederen waren over de dankzeggingen.
20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.
7Mesullam, Abia, Mijamin,
16Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam;
12En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiel, den zoon van Jahzera, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon van Immer.
24De hoofden dan der Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiel, en hun broederen tegen hen over, om te prijzen en te danken, naar het gebod van David, den man Gods, wacht tegen wacht.