Genesis 10:23
En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz.
En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken.
21Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste.
22Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
16En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.
17De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
18Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.
21Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broeder, en Kemuel, de vader van Aram,
22En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;
26En Joktan gewon Almodad, en selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,
27En Hadoram, en Usal, en Dikla,
28En Obal, en Abimael, en Scheba,
18En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaanieten verspreid.
24En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.
28Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran.
6En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaan.
7En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.
2De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
3En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.
23En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.
24Sem, Arfachsad, Selah,
20En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,
13En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,
8De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaan.
4Noach, Sem, Cham en Jafeth.
5De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
6En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma.
42De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaakan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.
53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
30En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten.
44Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.
34En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.