Jeremia 1:12
En de HEERE zeide tot mij: Gij hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen.
En de HEERE zeide tot mij: Gij hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
10Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.
11Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Ik zie een amandelroede.
13En des HEEREN woord geschiedde ten tweeden male tot mij, zeggende: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie een ziedenden pot, welks voorste deel tegen het noorden is.
14En de HEERE zeide tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners des lands.
4Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
14Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israel en over het huis van Juda gesproken heb.
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
3En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.
4Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
6En de HEERE zeide tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda, en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden dezes verbonds, en doet dezelve.
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
26Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
2Zo spreekt de HEERE, de God Israels, zeggende: Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
6Want aldus heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet.
6Jeremia dan zeide: Des HEEREN woord is tot mij geschied, zeggende:
19En des HEEREN woord geschiedde tot Jeremia, zeggende:
2Toen antwoordde mij de HEERE, en zeide: Schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt.
12Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, van den HEERE, zeggende:
25Want Ik ben de HEERE, Ik zal spreken; het woord, de tijd zal niet meer uitgesteld worden; want in uw dagen, o wederspannig huis, zal Ik een woord spreken, en hetzelve doen, spreekt de Heere HEERE.
26Verder geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
21Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
11Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
9En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
12Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:
5Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
10Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
28Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Geen Mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, hetwelk Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt de Heere HEERE.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
17Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
18De HEERE nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen hebt Gij mij hun handelingen doen zien.
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
3De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snellijk gedaan, en zij zijn gekomen;
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
15Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu komen!
8En des morgens geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
45Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
23Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
8Ziet, het komt en zal geschieden, spreekt de Heere HEERE; dit is de dag, van welken Ik gesproken heb.