Psalmen 116:10
Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.
Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
11Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.
13Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.
14Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.
9Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.
13Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook;
22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
13Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.
14Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
1Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
3Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!
4Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.
11In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.
1Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;
1Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.
107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.
50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
10Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.
3De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.
17Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.
5Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.
16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!
8Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
2Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.
3Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.
4Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.
6De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
25Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.
4En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.
42Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
22Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.
5Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.
4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.
6Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.
5Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.
75Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
15HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij?
1Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.
1Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!
1Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;