1 Kronieken 8:12
De kinderen van Elpaal nu waren Eber, en Misam, en Semed; deze heeft Ono gebouwd, en Lod en haar onderhorige plaatsen;
De kinderen van Elpaal nu waren Eber, en Misam, en Semed; deze heeft Ono gebouwd, en Lod en haar onderhorige plaatsen;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
11En uit Husim gewon hij Abitub en Elpaal.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
18En Jismerai, en Jizlia en Jobab, de kinderen van Elpaal.
13En Beria, en Sema; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Ajalon; dezen hebben de inwoners van Gath verdreven.
14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,
15En Zebadja, en Arad, en Eder,
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
21En Adaja, en Beraja, en Simrath waren kinderen van Simei.
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
35Lod, en Ono, in het dal der werkmeesters.
7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.
3Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud,
4En Abisua, en Naaman, en Ahoah,
5En Gera, en Sefufan, en Huram.
6Dezen nu zijn de kinderen van Ehud; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manahath;
20Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;
31En Gedor, en Ahio, en Zecher.
32En Mikloth gewon Simea; en dezen woonden ook tegenover hun broederen te Jeruzalem, met hun broederen.
8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.
8En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joel, die woonde te Aroer, en tot aan Nebo, en Baal-Meon,
13En van de laatste kinderen van Adonikam, welker namen deze waren: Elifelet, Jehiel, en Semaja; en met hen zestig manspersonen.
14En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen.
23En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam.
40De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.
41De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.
28En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.
24En Hananja, en Elam, en Antothija,
25En Jifdeja, en Pnuel waren zonen van Sasak.
26En Samserai, en Seharja, en Athalja,
4Van de kinderen van Pahath-Moab, Eljehoenai, van de zoon van Zerahja; en met hem tweehonderd manspersonen.
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,
19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.
24En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.
33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.
38Mikloth nu gewon Simeam; dezen woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broederen, met hun broederen.
45De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.
6Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,
28Dezen waren de hoofden der vaderen, hoofden naar hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.
8En de zonen van Pallu waren Eliab.
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
17De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
6En van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jonathan; en met hem vijftig manspersonen.
22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.
25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;