Jozua 12:18

Statenvertaling (States Bible)

De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Joz 13:4 : 4 Van het zuiden, het ganse land der Kanaanieten, en Meara, die van de Sidoniers is, tot Afek toe, tot aan de landpale der Amorieten.
  • Joz 19:30 : 30 En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen.
  • 1 Sam 4:1 : 1 En het woord van Samuel geschiedde aan gans Israel. En Israel toog uit, den Filistijnen tegemoet, ten strijde, en legerde zich bij Eben-Haezer, maar de Filistijnen legerden zich bij Afek.
  • Jes 33:9 : 9 Het land treurt, het kweelt; de Libanon schaamt zich, hij verwelkt; Saron is geworden als een woestijn; zo Basan als Karmel zijn geschud.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Joz 12:9-17
    9 verzen
    87%

    9De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;

    10De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;

    11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;

    12De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;

    13De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;

    14De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;

    15De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;

    16De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;

    17De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;

  • Joz 12:19-24
    6 verzen
    85%

    19De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;

    20De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;

    21De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;

    22De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;

    23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;

    24De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.

  • Joz 11:1-2
    2 verzen
    69%

    1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,

    2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;

  • Joz 18:23-24
    2 verzen
    68%

    23En Haavvim, en Para, en Ofra,

    24Chefar-haammonai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen.

  • 9Toen Thou, de koning van Hamath, hoorde, dat David de ganse heirkracht van Hadar-ezer, den koning van Zoba, geslagen had;

  • 12Van Syrie, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van den roof van Hadad-ezer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba.

  • 19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,

  • 18De kinderen van Jora, honderd en twaalf.

  • 31En van den halven stam van Manasse achttien duizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken;

  • 18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 11Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaan,

  • 18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,

  • 1Dit nu zijn de koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het ganse vlakke veld tegen het oosten:

  • 12Als gij nu zaagt, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u kwam, zo zeidet gij tot mij: Neen, maar een koning zal over ons regeren; zo toch de HEERE, uw God, uw Koning was.

  • 1En Benhadad, de koning van Syrie, vergaderde al zijn macht; en twee en dertig koningen waren met hem, en paarden en wagenen; en hij toog op, en belegerde Samaria en krijgde tegen haar.

  • 6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.

  • 13Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarvaim, Hena en Ivva?

  • 30En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen.

  • 17Toen trok Hazael, de koning van Syrie op, en krijgde tegen Gath, en nam haar in; daarna stelde Hazael zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken.

  • 18Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan;

  • 25Het achttiende voor Hanani; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 23En Abdon, en Zichri, en Hanan,

  • 13Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarvaim, Hena en Ivva?

  • 7En het volk van Israel werd aldaar voor het aangezicht van Davids knechten geslagen; en aldaar geschiedde te dienzelven dage een grote slag, van twintig duizend.

  • 15Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,

  • 53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,

  • 27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,

  • 8En Gath, en Maresa, en Zif,

  • 23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,

  • 12Johanan de achtste; Elzabad de negende;

  • 44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,

  • 28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,

  • 18Hodia, Hasum, Bezai,