Jozua 12:17
De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;
De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;
19De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;
20De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;
21De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;
22De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;
23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;
24De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.
9De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;
10De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;
11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;
12De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;
13De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;
14De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;
15De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;
16De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,
2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;
8Manasse had wel het land van Tappuah, maar Tappuah zelve, aan de landpale van Manasse, hadden de kinderen van Efraim.
36Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;
23En Haavvim, en Para, en Ofra,
24Chefar-haammonai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen.
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
17Ater, Hizkia, Azzur,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
11Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaanach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
15Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,
17Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, den koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, den koning van Israel.
15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;
17Doch aangaande de kinderen van Israel, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.
25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
13Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarvaim, Hena en Ivva?
10De zoon van Hesed in Arubboth; hij had daartoe Socho en het ganse land Hefer.
11Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaan,
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
23En Abdon, en Zichri, en Hanan,
24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
20Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;
15De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai, de Nethofathiet, van Othniel; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
5En Gera, en Sefufan, en Huram.
1Dit nu zijn de koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het ganse vlakke veld tegen het oosten: