Jozua 12:16
De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;
De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;
10De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;
11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;
12De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;
13De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;
14De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;
15De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;
17De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;
18De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;
19De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;
20De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;
21De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;
22De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;
23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;
24De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.
41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
29En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.
26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.
15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;
16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
28Op denzelven dag nam ook Jozua Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande hij derzelver koning, henlieden en alle ziel die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed den koning van Makkeda, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
45En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,
1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,
2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;
27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.
28De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.
9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.
16Maar die vijf koningen waren gevloden, en hadden zich verborgen in de spelonk bij Makkeda.
26Amam, en Sema, en Molada,
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
23En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,
21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,
30De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;
8En na hem richtte Israel Ebzan, van Bethlehem.
28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,