Jozua 12:16

Statenvertaling (States Bible)

De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Joz 8:17 : 17 En er werd niet een man overgelaten, in Ai, noch Beth-El, die niet uittrokken, Israel na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israel achterna.
  • Joz 10:28 : 28 Op denzelven dag nam ook Jozua Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande hij derzelver koning, henlieden en alle ziel die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed den koning van Makkeda, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.
  • Richt 1:22 : 22 En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen.
  • Gen 12:8 : 8 En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-El tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar, en riep den naam des HEEREN aan.
  • Gen 28:19 : 19 En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Joz 12:9-15
    7 verzen
    86%

    9De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;

    10De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;

    11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;

    12De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;

    13De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;

    14De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;

    15De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;

  • Joz 12:17-24
    8 verzen
    85%

    17De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;

    18De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;

    19De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;

    20De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;

    21De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;

    22De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;

    23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;

    24De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.

  • 41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.

  • 22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,

  • 29En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.

  • 26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,

  • 32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;

  • 6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.

  • Joz 13:18-19
    2 verzen
    70%

    18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,

    19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,

  • 22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.

  • Joz 21:15-16
    2 verzen
    69%

    15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;

    16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.

  • 28Op denzelven dag nam ook Jozua Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande hij derzelver koning, henlieden en alle ziel die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed den koning van Makkeda, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.

  • 23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,

  • 59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.

  • Joz 19:44-45
    2 verzen
    69%

    44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,

    45En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,

  • Joz 11:1-2
    2 verzen
    68%

    1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,

    2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;

  • Ezra 2:27-28
    2 verzen
    68%

    27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.

    28De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.

  • 9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.

  • 16Maar die vijf koningen waren gevloden, en hadden zich verborgen in de spelonk bij Makkeda.

  • Joz 15:26-27
    2 verzen
    67%

    26Amam, en Sema, en Molada,

    27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,

  • 23En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,

  • 21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.

  • 36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.

  • 53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,

  • 15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.

  • 7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,

  • 30De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;

  • 8En na hem richtte Israel Ebzan, van Bethlehem.

  • 28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;

  • 31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,

  • 38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,