1 Kronieken 8:2
Naho, den vierde, en Rafa, den vijfde.
Naho, den vierde, en Rafa, den vijfde.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Benjamin nu gewon Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, den tweede, en Ahrah, den derde,
14Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,
3Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud,
4En Abisua, en Naaman, en Ahoah,
5En Gera, en Sefufan, en Huram.
21En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.
6En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.
1Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,
6En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
38De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahirmieten;
15En Ibchar, en Elischua en Nefeg, en Jafia,
7En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.
2Ruben, Simeon, Levi, en Juda;
3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
12Eston nu gewon Beth-rafa, en Pasea, en Tehinna, den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha.
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
4Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneel de vijfde.
40En de zonen van Bela waren Ard en Naaman; van Ard het geslacht der Ardieten; van Naaman het geslacht der Naamieten.
30En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Nadab,
4Noach, Sem, Cham en Jafeth.
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
36En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Ner, en Nadab.
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
8En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joel, die woonde te Aroer, en tot aan Nebo, en Baal-Meon,
52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;
4Uthai, de zoon van Ammihud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van de kinderen van Perez, den zoon van Juda.
5Zijn zoon Micha; zijn zoon Reaja; zijn zoon Baal;
6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.
53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
55De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
56De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;
14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.
37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
9En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
22En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;
47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;
25En Jifdeja, en Pnuel waren zonen van Sasak.
12Het vijfde voor Nethanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
22En Jispan, en Eber, en Eliel,