Ezra 10:42
Sallum, Amarja, Jozef.
Sallum, Amarja, Jozef.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
36Vanja, Meremoth, Eljasib,
37Mattanja, Mathnai, en Jaasai,
38En Bani, en Binnui, Simei,
39En Selemja, en Nathan, en Adaja,
40Machnadbai, Sasai, Sarai,
41Azareel, Selemja, Semarja,
29En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub en Seal, Jeramoth.
30En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Bezaleel, en Binnui, en Manasse.
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
32Benjamin, Malluch, Semarja.
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
43Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.
7Mesullam, Abia, Mijamin,
11Micha, Rehob, Hasabja,
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
13Van Ezra, Mesullam; van Amarja, Johanan;
14Van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef;
2Amarja, Malluch, Hattus,
3Sechanja, Rehum, Meremoth,
2Seraja, Azarja, Jeremia,
3Pashur, Amarja, Malchia,
4Hattus, Sebanja, Malluch,
5Harim, Meremoth, Obadja,
21En van de kinderen van Harim: Maaseja, en Elia, en Semaja, en Jehiel, en Uzia,
22En van de kinderen van Pashur: Eljoenai, Maaseja, Ismael, Nethaneel, Jozabad en Elasa.
23En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.
24En van de zangers: Eljasib; en van de poortiers: Sallum, en Telem, en Uri.
25En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
6Semaja, en Jojarib, Jedaja,
7Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja; dat waren de hoofden der priesteren, en hun broederen, in de dagen van Jesua.
34Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jeremia;
18Dezes zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja.
5En Maaseja, de zoon van Baruch, den zoon van Kol-hose, den zoon van Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zacharja, den zoon van Siloni.
20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.
21De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja.
22De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes.
21Mesezabeel, Zadok, Jaddua,
10En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig manspersonen.
41En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
34Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia,
18Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan;
24Hallohes, Pilha, Sobek,
25Rehum, Hasabna, Maaseja,
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.