1 Kronieken 11:34
Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;
Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;
33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
30Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;
31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;
32Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;
33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;
34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
31En de kinderen van Appaim waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.
32En de kinderen van Jada, den broeder van Sammai, waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.
33De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
44Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;
45Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broeder, de Tiziet;
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
18Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan;
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
38Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;
39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
40Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;
36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;
37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
9De kinderen van Simei waren Selomith, en Haziel, en Haran, drie; dezen waren de hoofden der vaderen van Ladan.
10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
31En Gedor, en Ahio, en Zecher.
34En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.
14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,
15De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.
33Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaal.
32En Jonathan, Davids oom, was raad, een verstandig man; hij was ook schrijver; Jehiel nu, de zoon van Hachmoni, was bij de zonen des konings.
17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;
19Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
33Hazor, Rama, Gitthaim,